Persoonlijke instellingen

Posthumus K.

Uit Tuencyclopedie

Share/Save/Bookmark
Titel: Prof.dr.Kees Posthumus bij de officiele opening van het Hoofdgebouw Jaar: 19 september 1963 Foto: Archief TUE

Wie de Posthumuszaal in gebouw Traverse binnenloopt, wordt daar geconfronteerd met het borstbeeld ‘Posthumus magnificus’, een creatie van de voormalige bedrijfsarts A.J.P. Borstlap die vooral op het netvlies blijft staan vanwege het felrealistische forse brilmontuur. De meest tastbare nalatenschap van rector magnificus prof.dr. K. (Kees) Posthumus (*1902 - †1972) bevindt zich echter in het Auditorium. Op zijn initiatief kocht de THE met financiële steun van Philips het enorme Pels en van Leeuwen orgel dat in een kerk niet zou misstaan. Posthumus liet ook op andere fronten nadrukkelijk zijn sporen na. Zonder twijfel is hij de Eindhovense hoogleraar die het grootste stempel heeft gedrukt op de structuur van het Nederlandse hoger onderwijsbeleid in de jaren zeventig. Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OC&W) dr. G.H. Veringa omschreef hem als ‘de grootste en meest gezaghebbende onderwijskundige’ in het land. De Friese chemicus was jarenlang docent in Nederlands- Indië, werd daar na de oorlog benoemd tot hoogleraar aan de Technische Hogeschool van Bandung en trad na zijn repatriëring in 1955 aan als adviseur voor de commissie die de plannen voor de TH in Eindhoven uitwerkte. In september 1956 volgde zijn benoeming tot hoogleraar en werd hij secretaris van de Senaat. In 1961 werd hij de opvolger van rector magnificus prof. dr. H.B. Dorgelo. Posthumus gold in zijn jaren als een groot denker en spreker over onderwijs, eerder dan als een groot onderzoeker in zijn vakgebied. Nog steeds is in didactische kringen de ‘wet van Posthumus’ bekend, die een tijdloos verschijnsel in kaart brengt: het toekennen van voldoendes en onvoldoendes volgens een vast patroon. Tijdens zijn rectoraat werd aan de THE de eerste Nederlandse universitaire onderwijsresearchgroep opgericht en ondernam de Hogeschool een vergeefse poging om een medische faculteit in huis te halen. In 1967 benoemde de minister van OC&W hem tot regeringscommissaris voor het Hoger Onderwijs. Zijn advies over een nieuwe structuur voor academische opleidingen werd bekend als de ‘nota Posthumus’. Een portret van een markant persoon, bij wiens overlijden het blad Uitleg een speciale editie uitbracht.

Inhoud

Friesland


Titel: Prof. Posthumus (rechts) in gesprek met burgermeester en THE-curator ir. Herman Witte na het heien van de eerste paal van het Sportcentrum en het gebouw Warmte en Stroming Jaar: 23 juni 1965 Foto: Archief TUE

Posthumus wordt op 16 juni 1902 geboren in Harlingen, waar zijn vader een houthandel heeft. De jonge Posthumus groeit op in een streng orthodox gereformeerd milieu. Fietsen op zondag is er niet bij. Hij gaat naar de HBS en zit daar een paar klassen lager dan de bekende schrijver Simon Vestdijk (*1898 - †1971). In een gesprek met journalist Ton Elias herinnert Posthumus zich dat hij van Vestdijk een schoolboek over mechanica overnam, waarin de technische tekeningen door de schrijver in spe waren vervormd tot mythologische figuren. In Vestdijks Terug tot Ina Damman, het derde deel van de Anton Wachter cyclus uit 1934, speelt die HBS een belangrijke rol. Posthumus gaat aan de Rijksuniversiteit Groningen chemie studeren en zet na zijn kandidaatsexamen zijn studie voort in Leiden. Daar wordt hij materiaalcommissaris van een roeiclub en in die hoedanigheid vergezelt hij de beroemde historicus Johan Huizinga (*1872 - †1945) wanneer die met zijn collega’s gaat roeien. Als student geniet hij van de intellectuele discussies aan boord, vertrouwt Posthumus later een journalist toe. Leiden telt meer beroemdheden. Op uitnodiging van de fysicus Paul Ehrenfest aanvaardt Albert Einstein in 1920 een gasthoogleraarschap en blijkbaar gaat deze beroemde natuurkundige intellectuele contacten met studenten niet uit de weg. Posthumus spreekt daar jaren later over met journalist Tom de Greef die optekent: “Posthumus liep met Einstein over de grachten te discussiëren, alhoewel hij graag geamuseerd lachend toegeeft dat zoiets snel uitliep op een monoloog van een zichzelf vergetende Einstein. Een situatie die niet in de laatste plaats ontstond omdat weerwerk van Posthumus ontbrak: hetgeen Einstein betoogde ging hem al snel boven de pet.”

Onderwijs


Titel: prof. Posthumus (links) tijdens de viering van de tweede lustrum van de TH Eindhoven Jaar: 1966 Foto: Archief TUE

Zijn eerste onderwijservaring doet Posthumus op als docent aan de Christelijke HBS in Leiden. In 1929 promoveert hij bij prof.dr. F.A.H. Schreinemakers op onderzoek naar ‘explosiegebieden van gasmengsels.’ Opmerkelijk is dat het experimentele onderzoek werd uitgevoerd ‘in een der lokalen met voortreffelijk instrumentarium’ van genoemde HBS. De promovendus bedankt ‘de Philips Gloeilampenfabriek te Eindhoven die welwillend een hoeveelheid argon ter beschikking stelde’. Een van zijn stellingen wijdt hij aan het schoolvak scheikunde: “Bij het elementaire chemie-onderwijs behoort van den allereersten aanvang af gelegenheid te worden gegeven tot experimenteel werk. Het verdient aanbeveling, daarbij volgens kritisch-historische methode te werk te gaan.

Wet van Posthumus


Titel: Prof. Dorgelo biedt bloemen aan mevr. Herma Dorgelo-Plomp bij het heien van de 1e paal van het Auditorium Jaar: 1961 Foto: Archief TUE

In hetzelfde jaar nog vertrekt Posthumus naar Nederlands-Indië, waar hij leraar scheikunde en later rector wordt van het Christelijk Lyceum in Bandung. In Indië ontpopt hij zich als een begaafd stilist en schrijver over onderwijs. In 1940 verschijnt in het tijdschrift De Gids een (volgens toetsdeskundige prof.dr. A.D. de Groot) briljant artikel over constante patronen in het beoordelen van proefwerken en tentamens in het onderwijs. Posthumus constateert dat al tientallen jaren lang een vierde van de leerlingen een onvoldoende haalt. De helft haalt middelmatige cijfers en een kwart doet het goed, ‘onafhankelijk van het niveau van het geleverde werk’. De exameneisen passen zich aan deze vastgeroeste verdeling aan. Deze constatering zal later door het leven gaan als de ‘wet van Posthumus’.

Nederlands-Indië


In 1941 wordt Posthumus benoemd als buitengewoon hoogleraar aan de TH Bandung, in 1920 opgericht als Indische Technische Hogeschool op initiatief van enkele grote ondernemers in Nederlands- Indië. Wanneer de Japanners het land bezetten, wordt Posthumus zoals zoveel landgenoten gevangen genomen en geïnterneerd, eerst in de gevangenis van Bandung en later in het kamp Tjimahi. Zo goed en zo kwaad als het kan blijft hij daar doorgaan met doceren en het geven van lezingen. In 1947 publiceert hij Levensgeheel en school, waarin hij terugblikt op zijn onderwijservaringen in de voormalige Nederlandse kolonie. De bundel is een samenvatting van honderden lezingen die hij in het Jappenkamp heeft gegeven. Wanneer de Japanners in 1945 capituleren, wordt de communicatief ingestelde chemicus aangesteld als hoofd van de Rijksvoorlichtingsdienst in Indië. Maar dat blijft hij niet lang, want in maart 1946 richt de tot tijdelijke nooduniversiteit uitgeroepen TH Bandung zich tot de luitenant-gouverneur generaal in Indië met het verzoek om buitengewoon hoogleraar prof.dr. K. Posthumus tot voorzitter van de faculteit Technische Wetenschap te benoemen: “Een man die groote ervaring op het gebied van onderwijs en organisatievermogen bezit en die de eenige hier te lande hiervoor in aanmerking komende persoon is.” Wanneer Soekarno in 1945 de onafhankelijkheid van de Republik Indonesia uitroept, luidt dat het einde van de Nederlandse aanwezigheid in. Er volgen de bekende politionele acties van het Nederlandse leger. Posthumus is, nogal opmerkelijk voor een overheidsdienaar, in de jaren 1947 tot 1948 als correspondent voor het blad De Groene Amsterdammer actief, waar zijn stukken anoniem verschijnen. Posthumus heeft naar de mening van onderwijsjournalist Ton Elias de betekenis van de Aziatische revolutie weliswaar laat erkend, maar heeft wel stelling genomen tegen de eerste politionele acties van Nederland. Dat zou hem een ‘sociale boycot’ bezorgen, maar heeft er ongetwijfeld ook toe bijgedragen dat hij na de Nederlandse erkenning van de onafhankelijkheid (na een jaar verlof in Nederland) nog tot 1955 aan de TH Bandung verbonden zal blijven. In Bandung werken in die tijd ook de latere THE-hoogleraren prof.dr. P. van der Leeden en prof.dr.ir. J.G. Niesten. Ook de architect van het THE-terrein ir. S.J. van Embden >en diens collega ir. H.G. Smelt werken in 1948 tijdelijk aan de TH Bandung.

Eindhoven


Titel: prof. Posthumus (midden) met Prins Bernhard (links) tijdens werkbezoek van de Prins Jaar: 22 september 1964 Foto: Archief TUE

In 1955 keert Posthumus terug naar Nederland en wordt hij gevraagd als adviseur van de commissie die bezig is met het uitwerken van de plannen voor de TH Eindhoven. In september 1956 behoort hij tot de eerste lichting hoogleraren en in december treedt hij aan als secretaris van de Senaat naast rector magnificus Dorgelo. In het eerste collegejaar wordt hij ook nog als waarnemend studentendecaan in de studiegids vermeld. In een diesrede van 1958 leert de THE-gemeenschap hem voor het eerst kennen als bevlogen spreker over academische onderwerpen. Hij schetst het beeld van een nieuwe priesterklasse die aan de universiteiten is ontstaan: ”Theoretisch fysici zijn de profeten, wiskundigen zijn de hogepriesters en scheikundigen de tempeldienaars.” Redes vormen een middel om zijn opvattingen over de rol van de academie uit te dragen. “Universiteiten en hogescholen moeten in daad en woord getuigen van de waarde en de waardigheid van de menselijke geest in zijn hartstochtelijk zoeken naar waarheid, in zijn kritisch en statistisch waarnemen, zijn redelijk en verbeeldend denken, zijn schouwend scheppen. Zij moeten strijden tegen vooroordeel, bijgeloof en barbarie.”

Tweede rector magnificus


Titel: prof. Posthumus met Z.K.H. Prins Claus Jaar: 22 november 1967 Foto: Archief TUE

Wanneer Dorgelo in 1961 overlijdt, volgt Posthumus hem op. Hij gaat systematisch en met veel energie aan de slag. Zowel binnen als buiten de Hogeschool is hij nadrukkelijk aanwezig. Onderwijsvernieuwing houdt zijn aandacht, maar hij bemoeit zich ook met het examenproces en is betrokken bij het opstellen van een tentamen- en examenregeling voor het eerste cursusjaar. Onder zijn rectoraat breidt de Hogeschool zich uit en komt de hoogbouw op het terrein gereed. Als rector vervult hij de liaisonrol tussen de Senaat en het College van Curatoren. En dat pakt hij blijkbaar goed aan. Curator ir. Th.P. Tromp steekt bij de opening van het Hoofdgebouw uitgebreid de loftrompet over Posthumus: “Waarde P, gij zijt een classicus, en een bêta. Gij zijt een redenaar en ge zijt een denker. Gij zijt een leider van een groot team. Maar gij zijt ook een mens met individuele belangstelling voor ieder die tot u komt met zijn moeilijkheden, met zijn problemen. Gij zijt een voortreffelijk rector magnificus, maar meer nog dan dat, gij zijt een magnifieke rector.” Posthumus speelt in de woorden van zijn opvolger rector magnificus prof.dr. ir. A.A.Th.M. van Trier een ‘dominerende rol’ bij de totstandkoming van het ontwikkelingsplan en hij geeft de stoot tot de oprichting van een centrum voor onderwijsresearch. Eindhoven is in Nederland daarmee de eerste hogeschool of universiteit met een dergelijke afdeling. Als kenner van Indonesië ligt ontwikkelingsproblematiek hem na aan het hart, maar hij waarschuwt voor het messiascomplex: het westen moet de derde wereld niet vanuit een zedelijke roeping of superioriteitsgevoel bekijken. In 1961 gaat de THE een samenwerkingsband aan met de eerste universiteit in het dan net onafhankelijke Nigeria, de universiteit van Nsukka. Posthumus zet zich in voor de oprichting van de nieuwe opleidingen bouwkunde en technische bedrijfskunde. Niet al zijn initiatieven hebben succes. Zo lobbyt hij tevergeefs voor de vestiging van een medische faculteit in Eindhoven.

Redes


Titel: prof. Posthumus doet H.K.H. Prinses Beatrix uitgeleide na haar werkbezoek Jaar: 8 november 1965 Foto: Archief TUE

Posthumus ontwikkelt zich meer en meer als een begenadigd spreker. Zijn redes zijn in de regel prikkelende en erudiete betogen, gekruid met droge humor en ironie. Zelf verklaart hij dat hij zijn ‘wellust in woordkunst en welsprekendheid’ bij het klimmen der jaren wat probeert te onderdrukken, maar in de gedrukte versies is daar weinig van te merken. De thema’s die hij aansnijdt, betreffen veelal de rol van universiteit en hogeschool en de relatie tussen onderzoek en onderwijs. Posthumus heeft ook de primeur van een nieuw fenomeen in een rectorale rede: kritiek op de Haagse bemoeizucht. Al verstopt hij die kritiek in versluierde en bloemrijke taal: “Op een oude Chinese prent ziet men ambtenaren de boom omtrekken waaronder Confucius zijn leerlingen onderwijst. Ook vandaag worden de ambtelijke bemoeizucht en het ambtelijk vangnet van bepalingen voor universitaire tekortkoming medeverantwoordelijk gesteld.” Een van zijn redes bevat het bekende citaat over schering en inslag dat menig universiteitsbestuurder later uit de kast zal halen: “Universitair onderzoek en universitair onderwijs zijn schering en inslag van hetzelfde weefsel. Hun draden kunnen worden onderscheiden, zij kunnen niet worden gescheiden zonder vernietiging van de structuur.” In zijn laatste rectorale rede extrapoleert hij de gebeurtenissen van mei 1968, die hij omschrijft als de ‘wereldwijde studentenrevolte’, naar het jaar 2000, wanneer de TH Eindhoven ‘universiteit zal heten.’ Daar zal een promovendus dan volgens de profetieën van Posthumus een proefschrift verdedigen, getiteld ‘De academische revolutie van 1968’, dan wel ‘De academische renaissance van 1968’, afhankelijk van hoe de universiteit zich verder zal ontwikkelen. Hij signaleert dat de omstuimige groei een enorme invloed heeft op het universitaire onderwijs: ”De schaalvergroting heeft als gevolg dat de socratische dialoog maar zelden mogelijk is. De revolutie van vandaag leert ons, dat wij een verveelvoudiging van het aantal studenten niet opvangen door evenredige vergroting van het aantal medewerkers en van het vloeroppervlak, dat ook de zogenaamde verschoolsing averechtse uitkomst heeft en dat hiërarchisering en bureaucratisering geen oplossing brengen.”

Opvattingen over bestuurbaarheid van een universiteit


Titel: prof. Posthumus (midden) met zijn opvolgers prof.dr. Hans Erkelens (links) en prof.dr. Ton van Trier (rechts) Jaar: ca. 1968 Foto: Archief TUE

Het beeld van Posthumus dat uit de jaren zestig oprijst, is meer dat van een docent dan van een onderzoeker. En om nog preciezer te zijn: meer een denker over onderwijs, dan een docent. Emeritus hoogleraar prof.dr.ir. F.W. Sluijter herinnert zich van Posthumus vooral diens typische schoolmeesterachtige trekjes. Als scheikundig onderzoeker laat hij in die jaren nauwelijks sporen na. De TH Bandung achtte het al in 1946 bij de aanstelling van Posthumus als afdelingsvoorzitter geen bezwaar dat de rector van het Christelijk Lyceum van Bandung, ‘jaren achtereen zijn studievak op den achtergrond heeft moeten stellen.’ Ook Elias beschrijft hem als een bestuurder die tot drie keer toe uit zijn vak is gehaald. ‘De bezetenheid voor zijn vak is nu wel weg.’ Oud-medewerker van de faculteit Scheikundige Technologie ir. W.Ph. Be , die Posthumus ook al als hoogleraar in Bandung had meegemaakt, herinnert zich hem niet als een groot wetenschapper. “Hij behandelde als docent algemene scheikunde in Eindhoven nog jarenlang de onbruikbare Phlogistontheorie.” Emeritus hoogleraar prof.dr. ir. C. A.M.G. Cramers werkte in de begintijd voor Posthumus en bevestigt het verhaal over de Phlogistontheorie. “Als chemicus was hij een man van de oude stempel. Wanneer je het als student waagde om bij een tentamen eerder dan hem te gaan zitten, had je het verbruid. Hij had in de collegezaal ook een assistent die de borden schoonveegde. Die gaf het signaal wanneer de studenten bij binnenkomst van Posthumus moesten opstaan. Ik vroeg hem ooit of ik op grond van mijn HTS-diploma vrijstelling voor bepaalde vakken kon krijgen. Ach, zei hij, als u die vakken al gehaald hebt, kunt u ze toch makkelijk nog een keer doen?” In de laatste vijftien jaar van zijn loopbaan is Posthumus vooral bestuurder. En dan een academisch bestuurder van het soort dat zich voortdurend realiseert dat het besturen van een universiteit een zaak apart is: “Wie slaagt in zijn pogingen om een universiteit te besturen, zal spoedig ervaren dat hij geen universiteit meer heeft.” In 1967 geeft Posthumus hier een nog bloemrijker omschrijving voor: “Wie na een eervolle loopbaan in overheidsdienst of bedrijfsleven op rijpere leeftijd tot leiding van universiteit of hogeschool zijn geroepen, zingen vele bewerkingen van het thema ‘onbestuurbaar’. Zij melden dat elke uil zichzelf een valk waant, dat tenen soms langer zijn dan armen reiken, dat zeldzame zonderlingen dwingelandij uitoefenen over ondergeschikten en studenten, dat laaiende ruzies ontstaan om onnaspeurbare redenen.”

Regeringscommissaris


De intellectuele exercities van Posthumus en zijn kritische stellingname in onderwijspolitieke kwesties blijven in Den Haag niet onopgemerkt. In 1960 was hij al benoemd tot ondervoorzitter van de Onderwijsraad. Halverwege de jaren zestig wordt duidelijk dat het hoger onderwijs in een moeilijk parket dreigt te raken. Een cocktail van toenemende studentenaantallen, roep om democratisering, dreigende financieringstekorten en een verouderde universitaire bestuursstructuur (de zogenaamde duplex ordo van het College van Curatoren en de Senaat) maakt hervormingen onafwendbaar. “Met het onverlet laten voortgaan van de ontwikkelingen in het onderwijs zal in 2001 het hele nationale inkomen nodig zijn om dat onderwijs te financieren”, voorspelt Posthumus onheilspellend. Minister Veringa krijgt Posthumus in het vizier: “Hij plaatste voortdurend vraagtekens bij het door velen aanvaarde conventionele onderwijskundige denken. Jaren later ontving ik zijn jaarrede 1966, uitgesproken als rector magnificus van de THE. In die rede probeerde hij enkele uitgangspunten voor bezinning en voor vernieuwing onder woorden te brengen. Hij sprak over beoordeling, zittenblijven, selectie, rendement, studieduur en de beperkingen die zullen worden opgelegd door macro-economische, financiële en budgettaire factoren.” In november 1967 wordt Posthumus op voordracht van Veringa benoemd tot regeringscommissaris voor het hoger onderwijs. Dat leidt in Eindhoven tot de nodige discussies in de Senaat, want de ambitieuze Posthumus wil ook nog rector blijven. Zijn beide functies wel te verenigen? Er wordt een compromis bereikt en in september 1968 zal Posthumus het rectoraat overdragen aan Van Trier. Posthumus houdt tot irritatie van sommigen overigens wel zijn salaris en rectorstoelage.

Nota Posthumus


Titel: prof. Posthumus na heien eerste paal Studentencentrum De Bunker Jaar: 26 oktober 1967 Foto: Archief TUE

In september 1968 publiceert hij als regeringscommissaris zijn nota ‘De universiteit, doelstellingen, functies, structuren’, die verder als de ‘nota Posthumus’door het leven zal gaan en die onderwerp wordt van verhitte debatten. Minister Veringa baseert zijn voorstellen voor hervorming van het hoger onderwijs op de nota, maar de politieke en ambtelijke molens malen langzaam en Posthumus, die als gemachtigde regeringscommissaris namens de minister het wetsvoorstel in de Tweede Kamer zou mogen verdedigen, zal dit genoegen niet meer smaken. Op 1 september 1972 krijgt Posthumus eervol ontslag als hoogleraar. Twee weken later overlijdt hij aan een hartinfarct in het Eindhovense Diaconessenhuis. Vlak voor zijn overlijden maakt het kabinet- Biesheuvel bekend dat het herstructureringsvoorstel voor het hoger onderwijs pas na de verkiezingen naar de Tweede Kamer gebracht zal worden. Het TU/earchief bevat een knipselmap vol ‘in memoriams’ uit de Nederlandse dag- en weekbladen. ‘Posthumus had nog iets bewaard van het ideaal van de humanistische geleerde, die evengoed thuis was op natuurwetenschappelijk gebied als op dat van de cultuurfilosofie.’

Posthumus als persoon


Posthumus was met zijn rijzige gestalte en zware brilmontuur een indrukwekkende verschijning. Schilder Peer van den Molengraft >schilderde in opdracht van het ministerie van OK&W het portret van Posthumus toen deze regeringscommissaris werd. Van den Molengraft noemt hem een goede vriend: “Hij was in Eindhoven charterlid van de Rotary en heeft mij daar toen als lid bij gevraagd. Ik herinner me dat Posthumus veel van muziek hield.” Oud-medewerker W.M.J.M. van der Sommen kan dat laatste beamen. “Toen in 1963 het Hoofdgebouw werd geopend, organiseerde de Personeelsvereniging een feestavond. Ter voorbereiding wilde ik op een avond de geluidsinstallatie uitproberen. Het gebouw was nieuw en de spullen waren nog niet aangesloten. Ik had van thuis een pick-up meegenomen. Ik ging er van uit dat er behalve de portiers niemand aanwezig was, dus zette ik een plaatje op. Eine kleine Nachtmusik van Mozart klonk door het gebouw. De akoestiek was prima. Opeens staat Posthumus achter me. ‘Dag meneer Van der Sommen, wat bent u aan het doen?’ Ik legde het hem uit. Hij pakte een stoel en ik heb daar een uur plaatjes voor hem gedraaid. Hij vond het heel mooi en ik dorst niet weg te gaan.”