Persoonlijke instellingen

Stambomen

Uit Tuencyclopedie

Share/Save/Bookmark

De ontwikkelingsgang in de wetenschap is eeuwenlang bepaald door jongere generaties die de fakkel overnemen van hun voorgangers. De wetenschappelijke nalatenschap die oude coryfeeën in de vorm van kennis nalaten, wordt dankbaar gebruikt om de grenzen telkens weer te verleggen. Dit wordt treffend geïllustreerd in de wandschildering La fée électricité van Raoul Dufy uit 1937. De faculteit Elektrotechniek heeft in 2004 aan de wand van de Jonkerzaal een replica van dit werk bevestigd, waarop honderden onderzoekers staan afgebeeld die de fysica en de elektrotechniek groot hebben gemaakt. Een vaak aangehaald citaat van de Britse wis- en natuurkundige Sir Isaac Newton (*1642 - †1727) vat dit voortbouwen op bestaande kennis in een beeld samen: ”If I have seen further, it is by standing on the shoulders of giants.” Sommige wetenschappelijke reuzen waren aan een universiteit verbonden en zorgden voor hun eigen erfgenamen in het vak. De academische historie leert dat in het algemeen de besten (of machtigsten) der leermeesters een hoogleraarszetel krijgen. Vanuit die hoogte kunnen ze hun vakgebied overzien, de kennis vermeerderen en overdragen aan jongere generaties. Succesvolle wetenschappers creëren vaak een school, waarin hun denkbeelden en werkwijzen stollen tot tradities die weer worden doorgegeven. De meest getalenteerden onder hun studenten leggen een meesterproef af en promoveren tot doctor. Sommige van deze doctores worden op hun beurt later in hun loopbaan zelf hoogleraar. ‘Een hoogleraar uit de school van Lorentz’. En zo brengen hoogleraren in zekere zin hoogleraren voort en zijn er (langs verschillende lijnen) stambomen te traceren. Ook aan de TU/e is het mogelijk stamboomonderzoek te bedrijven.

Inhoud

Leerstoelopvolging


Oud-medewerker dr.ir. S.P. Lankhuijzen stelde in 1994 een hooglerarenstamboom samen voor de faculteit Scheikundige Technologie waaraan hij dertig jaar verbonden was geweest. Zo’n overzicht maakt in één oogopslag inzichtelijk welke leerstoelen in een onafgebroken lijn zijn bezet. Zo loopt er een lijn van de katalysehoogleraren prof.ir. J.G. Hoogland, prof.dr. G.C.A. Schuit, prof.dr. R. Prins tot aan prof.dr. R.A.van Santen. Soms gebeurt het dat twee daarvóór zelfstandige leerstoelen als in een chemisch huwelijk versmelten tot één nieuwe. Hier en daar vertoont de stamboom een dode tak, als de leerstoelendans een verliezer heeft opgeleverd. Wanneer een emeritus niet meer wordt opgevolgd, verdwijnt de leerstoel en verdampt ter plekke de opgebouwde kennis uit die discipline. Zo is in Eindhoven met het emeritaat van prof.dr.ir. C.A.M.G. Cramers de leerstoel instrumentele analyse verdwenen die voor het eerst in 1958 door prof.dr.ir. A.I.M. Keulemans werd vertegenwoordigd.

Nobelprijswinnaars


Nederland kende aan het eind van de negentiende eeuw een natuurwetenschappelijke bloeiperiode. Zeven onderzoekers werden onderscheiden met de Nobelprijs voor hun vakgebied, onder wie de vier fysici J.D. van der Waals (Amsterdam) , H.A. Lorentz (Leiden) , P. Zeeman (Amsterdam) en H. Kamerlingh Onnes (Leiden). Zij lieten hun sporen na in de Nederlandse onderzoekswereld, ook via hun promovendi. En sommige van die sporen leiden naar Eindhoven. Nemen we bijvoorbeeld Lorentz. Een van zijn promovendi was L.S. Ornstein. Ornstein werd hoogleraar in Utrecht en trad in 1924 op als promotor van H.B. Dorgelo >, de latere eerste rector magnificus van de THE. “Met hartgrondige dankbaarheid denk ik terug aan alles wat gij mij hebt willen zijn gedurende den tijd, dat ik uw assistent was en aan de voortdurende steun en bezieling bij de bewerking van dit proefschrift ondervonden. Gij bezit het geheim om u heen te scheppen een sfeer van vriendschap, waarin gewerkt wordt uit liefde voor de arbeid en voor de wetenschap”, schrijft Dorgelo in zijn proefschrift over zijn promotor. Op zijn beurt heeft Dorgelo in Eindhoven slechts één promotie begeleid, die van ir. K. Reinsma in 1960. De zoon van L.S. Ornstein, dr. L.Th.M. Ornstein, werd overigens in 1987 aan de TU/e aangesteld als bijzonder hoogleraar in het plasma-onderzoek. Een tweede voorbeeld: Kamerlingh Onnes. In 1905 was W.J. de Haas assistent in zijn laboratorium in Leiden. De Haas (die trouwde met een dochter van Lorentz) wordt later hoogleraar in Delft, in Groningen en tenslotte in Leiden. In 1940 promoveert P. van der Leeden bij De Haas op een proefschrift Geleiding van warmte en elektriciteit door metalen. Van der Leeden behoort tot de groep van hoogleraren die na een aanstelling in Bandung tot hoogleraar aan de THE worden benoemd. In 1970 treedt hij op als promotor van ir. W.J.M. de Jonge, die later zelf een aanstelling tot hoogleraar aan de THE zal krijgen. De derde stamboomlijn begint bij Zeeman. In 1923 studeert C. Zwikker af bij deze Nobelprijslaureaat. Volgens dr.ir. F.A.P. Blom, voormalig opleidingsdirecteur van de faculteit Technische Natuurkunde, wilde Zwikker vervolgens ook bij Zeeman promoveren. “Maar hij zag dat alle kandidaten daar zo’n zeven jaar over deden. Het verhaal gaat dat er twee uitzonderingen waren: beiden waren dat promovendi die met dochters van Zeeman getrouwd waren. Zwikker zocht een baan in het Philips Natuurkundig Laboratorium bij dr. Gilles Holst , waar hij belangrijk onderzoek deed aan wolfraam. Na een paar jaar ging hij op bezoek bij Zeeman. Toen Zwikker hem vertelde over zijn wolfraamonderzoek, zei Zeeman: ‘Schrijf dat op, daar kun je op promoveren’. En in plaats van zeven jaar was hij in twee jaar klaar.” Zwikker werkte daarna bij het Luchten Ruimtevaart Laboratorium en was directeur van Philips Licht, tot hij als hoogleraar aan de THE benoemd werd. Blom was in 1970 de laatste promovendus van Zwikker.

Family ties


In sommige families stroomt hoogleraarsbloed door de aderen. Zo was de vader van de fysicus prof.dr. H.H. Brongersma hoogleraar in de biologie in Leiden en was zijn moeder als oceanografe aan dezelfde instelling verbonden. De Amsterdamse hoogleraar in de natuurkunde, R. Sissingh, was een oom van Brongersma. Van de twee zonen van Brongersma die aan de TU/e technische natuurkunde studeerden, is er een hoogleraar aan Stanford University. Prof.dr. M.A.J. Michels, hoogleraar polymeerfysica in Eindhoven, is een zoon van de fysicus prof.dr. A.M.J.F. Michels die directeur was van het Van der Waalslaboratorium aan de Universiteit van Amsterdam. Ook zijn moeder was gepromoveerd in de fysica. De vader van de Eindhovense wiskundehoogleraar prof.dr. M.A. (Mark) Peletier, L.A. Peletier, promoveerde in 1967 in Eindhoven bij prof.dr. L.J.F. Broer en werd later hoogleraar aan de universiteit van Sussex, de TH Delft en de Rijksuniversiteit Leiden. In het geval van de familie Peletier zijn de lijnen van het fysieke en het wetenschappelijk vaderschap op een wonderlijke wijze verstrengeld geraakt: L.A. Peletier was in Leiden de promotor van C.J. van Duijn, de huidige TU/e-rector. Van Duijn was op zijn beurt weer de promotor van Mark Peletier. Wiskunde In mathematische kringen is het Erdösgetal onderdeel van de folkore. Dit getal duidt op verwantschap die is ontstaan door wetenschappelijke samenwerking. De beroemde wiskundige P. Erdös publiceerde samen met ruim vijfhonderd mathematici honderden artikelen. Deze co-ateurs publiceerden op hun beurt ook weer met anderen. Ooit is iemand begonnen met het toekennen van getallen om de samenwerkingsafstand tot Erdös in beeld te brengen. Erdös zelf kreeg het getal nul toegewezen, co-auteurs het getal één en co-auteurs van co-auteurs het getal twee, enzovoort. De Eindhovense wiskundigen N.G. de Bruijn en J.H. van Lint die respectievelijk zes en twee artikelen met Erdös publiceerden, scoren dus hoog in de rangorde.


Netwerken


‘Gelijk een briljante professor/wiens werken wanden beslaan/één brillende zoon in het licht zendt/die niet in zijn schaduw kan staan’, schreef de dichter Eric van der Steen. Sommige echte nakomelingen van grote namen in de wetenschap hebben het niet gemakkelijk. Ook al presteren ze meer dan gemiddeld in hun vak, zodra ze in het voetspoor van hun vader (of moeder) treden, wordt ze vanuit dat perspectief de maat genomen. Voor veel wetenschappelijke zonen bestaat die druk niet of wordt hij juist omgezet in een stimulans. De band tussen promovendi en promotoren blijft vaak jarenlang bestaan. De organisch chemicus prof.dr. E.W. Meijer promoveerde bij de Groningse hoogleraar prof.dr. H. Wijnberg. “De liefde voor de chemische wetenschap is me door hem bijgebracht. De wetenschap kwam voor hem op de eerste plaats. Hij was een strenge leermeester, die alle tijd nam voor zijn studenten en promovendi. Het was een eer als je deel uitmaakte van zijn groep. Ik neem hem in bijna alles als voorbeeld. Hij heeft wat je noemt school gemaakt: veel van zijn promovendi zijn zelf ook hoogleraar geworden.” Tussen sommige vertegenwoordigers van die wetenschappelijke Nachwuchs is volgens Meijer een gezonde rivaliteit ontstaan. “Ben Feringa was ook een promovendus van Wijnberg en is nu hoogleraar in Groningen. Net als ik heeft hij de Spinozaprijs voor zijn werk ontvangen. Zo maken we er een soort wedstrijd van.” Meijer heeft intussen zelf ook een respectabel aantal promovendi begeleid. “Ik beschouw ze een beetje als mijn kinderen. Ik ben trots op de benoeming van Jan van Hest een paar jaar geleden als hoogleraar aan de Radboud Universiteit Nijmegen.” Ook emeritus hoogleraar prof.dr.ing. J.A.G. Jess van de faculteit Elektrotechniek begeleidde als promotor tientallen promovendi. “Er is zo over de hele wereld een netwerk van promovendi ontstaan. Wanneer ik op reis ben voor werk, blijf ik als het enigszins kan bij een van hen overnachten. Er werken er een stuk of tien in Amerika.”