Persoonlijke instellingen

Jonge W.J.M. de

Uit Tuencyclopedie

Share/Save/Bookmark
Titel: V.l.n.r. onderzoekers De Jonge, Kopinga en Swuste Jaar: 1982 Foto: Archief TU/e

Op 17 juni 2005 nam prof.dr.ir. W.J.M. (Wim) de Jonge (*1940) na bijna 48 jaar (vermoedelijk een recordperiode) afscheid van de TU/e. Toen hij zich in 1957 inschreef voor de studie elektrotechniek hoorde hij tot de eerste lichting studenten. Zijn afstudeerwerk en later zijn promotie gebeurden bij de afdeling der Technische Natuurkunde. Aan diezelfde afdeling werd hij in 1979 benoemd tot hoogleraar experimentele natuurkunde. Van 1997 tot zijn emeritaat was hij decaan. In 2000 werd hij tezamen met prof.dr. R. Coehoorn voor zijn werk onderscheiden met de Gilles Holst Medaille van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Bij zijn afscheid werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw 'op grond van exceptionele prestaties op het gebied van de experimentele fysica, bij het toegepast wetenschappelijk onderzoek en vanwege zijn belangwekkende onderwijsprestaties en grote maatschappelijke verdiensten'. “Ik wilde als jongen natuurkunde studeren aan de Vrije Universiteit. Aan de prille TH in Eindhoven kon dat toen nog niet. Mijn ouders hebben me echter de VU uit het hoofd gepraat: het moest de THE worden, want die was dichtbij. Dus schreef ik me in september 1957 in als student elektrotechniek. Ik ben een van de oprichters en de tweede voorzitter van de Societas Studiosorum Reformatorum Eindhoviensis. De S.S.R.E., toen nog met puntjes tussen de hoofdletters, heeft een heel belangrijke rol in mijn leven gespeeld; een aantal vrienden uit die tijd zie ik nu nog regelmatig. Feitelijk ben ik binnen die vereniging volwassen geworden. Omdat ik voor een inkomen moest zorgen, ben ik al in 1960 gaan lesgeven aan het Eindhovens Protestants Lyceum. Ik kreeg vrijstelling om, vooruitlopend op het behalen van mijn kandidaatsdiploma, wiskunde en natuurkunde te doceren. Er zijn memorabele zaterdagochtenden geweest dat ik rechtstreeks uit de sociëteit naar school ging om daar om twintig over acht voor de klas te staan. Prof. Van Trier was officieel mijn afstudeerhoogleraar bij Elektrotechniek, maar mijn eigenlijke werk deed ik bij Natuurkunde. Van Trier heeft me wel op het spoor gezet van kernspinresonantie en op dat onderwerp ben ik later gepromoveerd. Prof. Van der Leeden werd mijn promotor bij Technische Natuurkunde. Hij had zelf geen verstand van nuclear magnetic resonance, een nieuw onderwerp waaraan wereldwijd slechts enkele groepen onderzoek deden, maar voelde wel aan dat dit een belangrijke ontwikkeling was. Jammer genoeg was hij een honkvast type en bezocht hij zelden wetenschappelijke congressen. Ik moest mezelf dus introduceren. Tegenwoordig gaat dat voor promovendi wel anders. Gelukkig ontmoette ik halverwege de jaren zestig de Amerikaan Robert Spence, een theoretisch natuurkundige die aan NMR-onderzoek deed. Ik kon buitengewoon goed met hem opschieten en heb veel van hem geleerd. Hij nodigde me uit om een jaartje bij hem in Michigan te komen werken. Daar trok ik dus met vrouw en kind naar toe en ik heb er nooit spijt van gehad.

Trots


De TU/e is een deel van mijn leven. De Universiteit heeft een geweldige ontwikkeling doorgemaakt waar ik onmetelijk trots op ben. Ik houd alle promovendi en medewerkers altijd voor dat we voor niemand onder hoeven te doen. Wij bevinden ons in een positie dat we kunnen kiezen voor de mondiaal gezien meest relevante vragen. Waarom zouden we ons tevreden stellen met irrelevante problemen? Laat dat maar aan minder uitgeruste universiteiten over. Niet alleen een algemene maar ook een technische universiteit is er om moeilijke, diep wetenschappelijke vragen te beantwoorden. Vragen die raken aan het filosofische domein. Een universiteit is de plaats waar die kennis gegenereerd en verzameld wordt. Waarom onderscheiden mensen zich zo enorm van andere soorten? Een groot deel van onze voorsprong komt omdat we staan op de schouders van onze voorgangers. Denk aan het prachtige beeld van Newton: onderzoekers die hun grenzen verleggen, standing on the shoulders of giants. Voor mij is het doorgeven van ervaringen een van de hogere doelen in het leven. Een universiteit is het instituut dat moet waken over de zuiverheid van het proces waarin kennis ontwikkeld, vergroot en doorgegeven moet worden. We moeten woekeren met onze talenten. Ik ben een aanhanger van de spirit achter de uitspraken van Henk de Wilt, de voorzitter van het vorige College van Bestuur. Hij riep in zijn beste tijden: “Geld is het probleem niet, het gaat om goede ideeën.” Rond zijn vertrek bleek uiteindelijk geld wel een probleem te zijn, maar alle tekenen wezen er later op dat die financiële problemen weer opgelost waren. De politieke belangstelling voor het thema ‘kenniseconomie’ komt ons op dit moment als technische universiteit natuurlijk goed uit. Voor de TU/e staan alle signalen op groen. Als we de kansen nu niet grijpen, zijn we geen knip voor de neus waard.

Titel: Prof.dr.ir. Wim de Jonge Jaar: 2000 Foto: Archief TU/e

Natuurkundigen


Over het algemeen zijn natuurkundigen de knapste jongetjes en meisjes van de klas die gegrepen zijn door de grote vragen. Hoe zit dat met de Big Bang? Hoe zit het met het uitdijende heelal, met elementaire deeltjes, relativiteit, zwarte gaten? Hoe zitten mensen eigenlijk in elkaar? Misschien is de bioconnectie wel de nieuwe uitdaging voor natuurkundigen. Fysici hebben de neiging wat principiëler te zijn dan de gemiddelde onderzoeker (anderen noemen dat wel eens arrogant). De faculteit Technische Natuurkunde is traditioneel een goede biotoop voor contramine. Ik vind dat een faculteit Technische Natuurkunde heel goed curiosity driven research kan doen en tegelijkertijd een belangrijke bijdrage kan leveren aan de ontwikkeling van nieuwe technologie. Het is onjuist om te denken dat een onderzoeker die zich interesseert voor de problemen van een bedrijf, per definitie de sommetjes voor dat bedrijf zou gaan oplossen. Ik hoop dat ik dat zelf in mijn onderzoek heb laten zien. Ik ben heel trots op de toekenning door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek van VICI-subsidies voor vier jonge onderzoekers van mijn faculteit: Herman Clercx, Henk Swagten, Paul Koenraad en mijn opvolger Bert Koopmans. Helemaal trots ben ik er op dat, wat de laatste drie betreft, het geld is bestemd voor onderzoek aan ‘spintronica’, spinafhankelijk transport en spinafhankelijke eigenschappen, een gebied waarop ik vijftien jaar geleden begonnen ben. Dus met mijn vertrek zal die onderzoekslijn niet afsterven. Integendeel; er zijn nieuwe spruiten. Uiteindelijk ben ik in mijn onderzoek geëindigd met het ‘atoom voor atoom’ opbouwen van materialen. Ik herinner me nog dat Philips daar halverwege de jaren tachtig geen haalbare toepassingen in voorzag. Dat zou veel te duur zijn! Sindsdien hebben we heel vruchtbaar met hen samengewerkt, en nu doen ze bij wijze van spreken niks anders. Uit dit soort ervaringen komt mijn geloof in de juistheid van onze aanpak voort. Ik ben ervan overtuigd dat de studenten van nu datzelfde enthousiasme voor onderzoek kunnen opbrengen dat ik destijds had. De generatie van nu heeft dezelfde talenten, het enige wat wij moeten doen is die tot ontwikkeling brengen.”